De in 1940 in Genua geboren Fabrizio De André, Faber voor de vrienden, wordt beschouwd als een van de belangrijkste, invloedrijkste en meest poëtische, akoestische Italiaanse singer-songwriters. Als jongen zat hij op een strenge jezuïetenschool, waar hij het slachtoffer werd van een poging tot seksueel misbruik door een pater. Ondanks zijn leeftijd reageerde hij daar sterk op, waardoor de jezuïet, na tussenkomst van zijn vader, uit de school werd gezet. Fabrizio  studeerde rechten aan de universiteit van Genua, net als zijn oudere broer, die later een bekende advocaat werd. Hij speelde gitaar, raakte in de ban van de Franse chansonnier Georges Brassens en begon zelf ook muziek te schrijven. Hij brak zijn studie af om zich volledig op zijn muziek te kunnen concentreren. Met zijn vrienden Luigi Tenco, Umberto Bindi en Gino Paoli ontdekte hij jazz en ging hij samen spelen, het was de start van de Genuese school.

Fabrizio vertoefde rond 1960 vooral in de ruigere buurt rond het Piazza del Campo, waar hij optrok met vrienden van totaal andere culturele en sociale achtergrond. Hij begon het in zijn teksten steeds op te nemen voor de armen, opstandigen, marginalen, alcoholisten, prostituees, drugsverslaafden en homoseksuelen. Met satirische, politiek-getinte teksten richtte hij zich met anarchistische ideeën tegen de arrogantie van de macht. Hij wordt dan ook vaak de ‘songwriter van de gemarginaliseerden’ en de ‘dichter van de verslagenen’ genoemd. Zijn teksten worden door critici als echte gedichten beschouwd. Zijn grote voorbeeld, Brassens, wilde hij nooit ontmoeten omdat hij bang was teleurgesteld te worden, al kreeg hij wel lof van Brassens voor de vertalingen van zijn songs, die hij in het begin van zijn carrière maakte.

In 1961 trouwde De André en een jaar later kreeg hij een zoon Cristiano, die in de voetsporen van zijn vader zou treden. Vanaf 1961 begon hij singles uit te brengen op het label Karim, dat mee door zijn vader was opgericht. Verkoopsucces bleef uit, maar de ballade en grote klassieker ‘La canzone dell’amore perduto’ zorgde in 1966 voor een voorzichtige doorbraak. Vervolgens werd het nummer samen met zijn andere sterkste singles op een album gezet, maar zijn eerste echte plaat, ‘Fabrizio De André’, verscheen in 1968 bij een ander label en werd het bestverkochte album van het jaar. Ook de twee opvolgers eindigden in 1969 op 1 en 2 in de jaarlijst, van een fenomenale doorbraak gesproken dus! Meer succesvolle conceptalbums volgden, zoals ‘La buona novella’ in 1970 waarop hij ook over de kerk schreef, die hij als instituut verfoeide. Hij was van mening dat die alleen was opgericht om macht uit te oefenen. Hij had echter wel sympathie voor het menselijke aspect van Jezus, die hij de grootste revolutionair aller tijden noemde. Kort voor zijn dood droeg hij in zijn dagboek ook een gedicht aan Sint-Franciscus op. Op de plaat werkte hij samen met de muzikanten, die kort daarna de groep Premiata Forneria Marconi vormden.

…hij wordt dan ook vaak de ‘songwriter van de gemarginaliseerden’ en de ‘dichter van de verslagenen’ genoemd…

Hij nam ook een paar nummers van Leonard Cohen op, waaronder ‘Suzanne’ en ‘Giovanna d’Arco’. In die periode liep ook zijn huwelijk stuk en toen hij in 1974 samen met Francesco De Gregori aan het album ‘Canzone’ werkte, leerde hij Dori Ghezzi kennen. De zangeres, die in die tijd succes had met duetten met de zanger Wess, zat in de studio ernaast solowerk op te nemen. Ze woonden vijftien jaar samen en trouwden in 1989. De André was perfectionistisch in de studio en te verlegen om op te treden. Uiteindelijk kon men hem toch overhalen en stond hij in 1975 eindelijk live op het podium, geflankeerd door muzikanten van de groepen New Trolls en Nuova Idea. Hij kreeg toen tegenkanting van mensen van extreemlinks, die vonden dat de singer-songwriter zijn integriteit was verloren, hetgeen ook zijn vriend Francesco De Gregori overkwam. De André liet zich echter niet afschrikken en ging met zijn belagers in gesprek. Na de overwinning van het ‘nee’-kamp in het echtscheidingsreferendum trad hij op tijdens een demonstratie van de Partito Radicale op Piazza Navona in Rome. Gedurende de hele jaren ’70 werd hij gevolgd door de Italiaanse geheime diensten. Nochtans beperkte De André’s politieke activiteit zich tot een abonnement op het tijdschrift ‘A/Rivista Anarchica’ en donaties. Hij zong bovendien ook in zijn teksten dat hij tegen terrorisme was, omdat dat de macht eerder versterkt dan omverwerpt.

In 1978 bedacht Premiata Forneria Marconi nieuwe arrangementen voor enkele belangrijke nummers van Fabrizio, die het aanbod accepteerde om samen met de groep op tournee te gaan. Daar kwamen ook twee succesvolle live-platen uit voort. Eind jaren ’70 ging hij met Dori in Sardinië wonen, waar ze later ook een dochter kregen. In 1979 werd het koppel ontvoerd en vier maanden vastgehouden. Vlak voor Kerstmis werden ze vrijgelaten, waarna Fabrizio begrip toonde voor de bewakers. Hij wilde hen niet aanklagen en vond dat alleen de opdrachtgevers moesten worden gestraft, welvarende mensen, onder wie ook een Toscaanse dierenarts en een Sardijns gemeenteraadslid. Uiteindelijk gebeurde net het omgekeerde, want die laatsten kregen strafvermindering omdat ze meewerkten met het gerecht. In 1991 ondertekende De André het gratieverzoek voor een van de ontvoerders die 25 jaar gevangenisstraf had gekregen. Hij zou zijn ervaring van de ontvoering ook in zijn muziek verwerken. In 1982 richtte hij zijn eigen label op, Fado, genoemd naar zijn eigen intitalen en die van Dori Ghezzi. In 1984 zong hij in het Genuees over het huidige, mediterrane leven in Genua, waarbij ook Arabische invloeden in zijn muziek doorsijpelden. Op zijn latere platen werkte hij vaak samen met Ivano Fossati.

…hij won het recordaantal van zeven Tenco Awards en in 2018 verscheen de film over zijn leven  ‘Fabrizio De André – Principe libero’…

In 1999 overleed hij aan longkanker. Meer dan 10.000 mensen waren aanwezig op de begrafenis in Genua. O.a. een pakje sigaretten, een sjaal van zijn favoriete voetbalploeg Genua en een clownsneus werden in de kist gelegd. Op zijn uitdrukkelijk verzoek werd hij uitgestrooid voor de kust van Genua. De André blijft volop aanwezig in het collectief geheugen, iets waar ook zijn vrouw aan werkt met de Fondazione Fabrizio De André. In de loop der jaren werd menig eerbetoonconcert voor hem gehouden, waaraan tal van grote namen meewerkten. Een platenwinkel in Via del Campo in Genua werd omgebouwd tot een museum. O.a. Mia Martini, Franco Battiato, Renato Zero, Ornella Vanoni, Francesco De Gregori, Loredana Bertè, Al Bano en Zucchero namen daarna nummers van hem op. Hij won het recordaantal van zeven Tenco Awards en in 2018 verscheen de film over zijn leven  ‘Fabrizio De André – Principe libero’. Sinds 1999 wordt de Fabrizio De André Award toegekend aan artiesten die de Ligurische cultuur, vooral de Genuese, op een bijzondere manier uitdragen buiten de regio. De makers van ‘The White Lotus’ moeten ook fan van De André zijn, want het is vooral zijn muziek die volop aanwezig is in het zich in Sicilië afspelende tweede seizoen van de topserie.


Andere toppers van Fabrizio De André:

La canzone di Marinella (1964) (Dit lied schreef hij over het waargebeurde verhaal van een zestienjarig meisje dat door familieomstandigheden in de prostitutie terechtkwam en vervolgens dood in de Tanaro werd gegooid. Hij probeerde haar in de tekst weer tot leven te wekken en haar dood te verzachten. De tekst is ontwapenend in zijn eenvoud en wordt bijna als een sprookje verteld op de tonen van een bolero. In 1965 zong Mina het nummer in haar populaire tv-show en twee jaar later nam ze het op. Door het succes van haar album stroomde plots het geld binnen bij Fabrizio en kon hij het eindelijk echt gaan maken met zijn muziek. Hij bleef het nummer heel zijn carrière zingen en nam het in 1997 in duet met Mina op voor zijn laatste album.)

https://youtu.be/efGIYVWLCY8

La città vecchia (1965) (Hij schreef dit nummer in 1962, toen hij nog volop in de wijk rond Via del Campo en Via Pré vertoefde. Hij vertelt fragmenten uit het leven van de marginale mensen die in de beruchte buurt van de haven van Genua wonen, ‘de wijken waar de zon van onze lieve Heer niet schijnt.’ Het gaat om oude alcoholisten, prostituees en hun klanten, die hen overdag uitschelden, maar ’s nachts hun spaargeld geven. Ook dieven, moordenaars en een speciale man die zijn moeder voor drieduizend lire aan een dwerg verkoopt. Het mag niet verbazen dat de tekst werd gecensureerd. Fabrizio geloofde dat mensen soms buiten hun wil handelen, dat iedereen bestaansrecht heeft en men niet over mensen mag oordelen, zeker de machthebbers niet. In dit nummer hoor je ook nog heel goed de invloed van Georges Brassens. Het werd na zijn doorbraak een van zijn vele klassiekers.)

Amore che vieni, amore che vai (1966) (laatste single bij het label Karim. Heel populair en delicaat liefdeslied over de onzekerheid in de liefde. Het werd vaak gecoverd en vooral de versie van Franco Battiato in 2000 werd heel bekend. In 2020 bracht Mika dit nummers als eerbetoon aan Fabrizio op het podium van San Remo.)

Bocca di rosa (1967) (eerste single bij het label Bell Disc, na de singles die hij voor Karim opnam. Op dit moment was Fabrizio al half doorgebroken, maar met dit nummer, dat een jaar later ook op zijn eerste officiële album verscheen, schoot zijn bekendheid de lucht in. Uiteraard werd ook dit lied gecensureerd, want in het nog erg puriteinse Italië van toen, kon dit nummer over een vrouw met haar seksescapades, waar ze zonder remmingen van geniet, niet door de beugel. Het verhaal van de vrije, eigentijdse vrouw die tegen de heersende moraal ingaat en haar eigen weg volgt, sloeg wel aan bij het publiek en werd een heel grote klassieker. Ook de titel werd zo bekend dat ‘roze mond’ nu automatisch verwijst naar een prostituee. Ornella Vanoni zorgde later voor de bekendste cover van het nummer, waarvoor hij de inspiratie haalde bij ‘Brave Margot’ van Brassens.)

Via del Campo (1967) (nog een klassieker van zijn album in 1968, over de wereld van de hoertjes en travestieten in de buurt van Via del Campo. Begin jaren ’60 had hij daar ook een jaar een relatie met een prostituee, Anna. Met een oprechte en tedere tekst brengt hij hommage aan haar en andere arme en gemarginaliseerde mensen. Bekend is de volgende zin: ‘dai diamanti non nasce niente, dai letame nascono i fior’ – ‘uit diamanten wordt niets geboren, uit mest groeien bloemen’.

Preghiera in gennaio (1967) (Dit nummer schreef hij in één ruk nadat hij geëmotioneerd van de begrafenis van zijn goede vriend Luigi Tenco thuiskwam. In het lied bidt hij voor Tenco en schenkt hij hem een plaatsje in de hemel, op een moment dat zelfmoord nog door de kerk werd veroordeeld.)

Andrea (1978) (Fabrizio startte zijn eigen label en bracht in 1978 het album ‘Rimini’ uit. In de jaren die volgden, boorde hij nieuwe thema’s aan, met meer etnische invloeden en nummers in het dialect, waarin hij o.a. opkwam voor de Indianen in Amerika en de Sardijnen. Ook het muziekpalet werd breder en andere instrumenten werden toegevoegd. De lead-single van ‘Rimini’ was ‘Andrea’, een antimilitaristisch nummer over homoseksualiteit en diversiteit. Hij vertelt het verhaal van de boer Andrea die een liefde beleeft met een soldaat met zwarte krullen, die naar het front moet en sneuvelt in de Eerste Wereldoorlog. Overmand door pijn en verdriet pleegt Andrea daarna zelfmoord door in een diepe put te springen. Fabrizio zong het nummer, met een verwijzing naar Plato, die homo’s de kinderen van de zon noemde, en zong dit lied tijdens zijn concerten onder volle belichting. Hij deed dat om te tonen dat homo’s zichzelf moeten kunnen zijn, zonder zich te moeten schamen. Het werd een grote klassieker.)


Premiata Forneria Marconi - Impressioni

Premiata Forneria Marconi, ook gewoon PFM genoemd, is een rockgroep die voortkwam uit de groep sessiemuzikanten Quelli. Eind jaren ’60 waren ze zowat het meest gevraagde ensemble en namen ze op met Mina, Lucio Battisti, Fabrizio De André en vele anderen. In 1972 kregen ze onder hun nieuwe naam onderdak bij Numero Uno, het label van Battisti en Mogol. Hun naam werd te lang bevonden, maar de groep argumenteerde dat hoe moeilijker je een naam kan onthouden, hoe moeilijker je hem ook kan vergeten. De rockgroep scoorde een grote hit in 1972 met ‘Impressioni dI settembre’, op tekst van Mogol, het eerste Italiaanse nummer waarop een synthesizer te horen is. Er volgden een paar succesvolle albums, die aansloten bij de progressieve Angelsaksische rock. Rustiger was de broze hit ‘Dolcissima Maria’, van hun succesvolste album ‘L’isola di niente’ in 1974. Ze werden ook opgemerkt in het buitenland en gingen hun platen in het Engels opnemen. De groep slaagde erin gedurende een aantal jaar een carrière in Amerika uit te bouwen. Toen de progressieve rock over zijn hoogtepunt was, beperkten de heren zich terug tot Italië en gingen ze eerder typische 80’s rock maken. Na de dood van Fabrizio De André bleven ze ook rondtrekken met zijn nummers. 


Wess & Dori Ghezzi - Era

De in 1946 in Seveso geboren Dori Ghezzi begon op haar twintigste aan wedstrijden deel te nemen, waar ze in 1967 opviel met ‘Vivere per vivere’, geschreven door Francis Lai voor de soundtrack van de film ‘Vivre pour vivre’. Het jaar nadien scoorde ze een hit met haar versie van het bekende ‘Casatschok’. Ze nam in 1970 deel aan San Remo en werd door haar platenfirma gekoppeld aan de zanger Wess, die daar ook onder contract zat. Wess was een Amerikaanse bassist, die succes had met het ensemble The Airedales van Rocky Roberts. Hij ging solo en scoorde eind jaren ’60 een paar kleine hits. 

De romantische nummers van Wess & Dori Ghezzi sloegen erg aan in de jaren ’70, waarbij de zachte, soulvolle stem van Wess mooi contrasteerde met de kristalheldere stem van Dori. Hun eerste duet, ‘Voglio stare con te’, een cover van ‘United we stand’ van Brotherhood Of Man, was meteen een grote hit. Dori bleef ook solowerk uitbrengen, maar de duetten vielen beter in de smaak. In 1973 stond het duo op San Remo met de hit ‘Tu nella mia vita’ en in 1975 scoorden ze een dikke nummer 1-hit en wonnen ze Festivalbar met ‘Un corpo e un’anima’. In 1975 werden ze derde op het Songfestival met ‘Era’, dat ook een hit in Nederland werd. Na het succes bleef Wess optreden en op de Italiaanse tv komen, weliswaar op en neer pendelend vanuit Canada. In 2009 stierf hij op 64-jarige leeftijd aan een astma-aanval. Hij liet zes kinderen achter. Dori werd in 1983 nog eens derde op San Remo met ‘Margherita non lo sa’ en nam daarna nog een paar keer deel. In 1990 stopte ze met zingen na een probleem met de stembanden. Daarna kwam ze af en toe nog eens op tv, maar hield ze zich vooral bezig met de Fondazione Fabrizio De André, bijgestaan door het Centro Interdipartimentale di Studi Fabrizio De André van de universiteit van Sienna. 


Extra clips:


https://www.youtube.com/watch?v=vxPviXqPVNc