De in 1948 in Venetië geboren Nicoletta Strambelli werd als Patty Pravo een levende legende van de Italiaanse popmuziek. Van jongs af aan studeerde ze piano en klassieke dans. Al snel verhuisde ze naar Rome waar ze ontdekt werd in de beroemde Piper Club, waardoor ze de bijnaam ‘The Piper Girl’ kreeg. Haar artistieke achternaam koos ze als een verwijzing naar de proloog van Dante’s ‘Divina commedia’. De mooie, blonde diva begon half jaren ’60 met het coveren van Engelse beathits, zoals ‘Ragazzo triste’, haar eerste hit in 1967, een cover van Sonny & Cher. Vanaf het begin gaf ze voor die jaren erg provocerende interviews, waarin ze zich uitsprak voor abortus, echtscheiding en volledige seksuele vrijheid voor zowel mannen als vrouwen. In 1968 brak ze definitief door met ‘La bambola’, een nummer dat eerder was geweigerd door o.a. Caterina Caselli. Ook zij zag er aanvankelijk helemaal geen heil in, omdat het haar dwong zich te identificeren met het stereotype van een vrouw die volledig afhankelijk is van haar man. ‘Gelukkig’ werd ze echter verplicht door haar platenfirma om het op te nemen, want meteen was ze gelanceerd. De single stond op 1 in Italië en was de op één na grootste hit van het jaar. Het werd ook in Europa een hit, vooral in de Spaanse versie in Spanje. 

Daarna scoorde ze tal van hits en werd ze wereldwijd één van de bestverkochte Italiaanse artiesten aller tijden. Veel belangrijke Italiaanse componisten schreven nummers speciaal voor haar, bijv. Lucio Battisti, Paolo Conte, Riccardo Cocciante, Francesco De Gregori, Antonello Venditti, Ivano Fossati, Vasco Rossi, Mango, Lucio Dalla en Franco Battiato. Ze experimenteerde met verschillende muziekstijlen en provoceerde ook altijd graag. Als een echte diva bleef haar carrière doorgaan met performances vol drama en glamour, waarbij ze van haar lage, sensuele timbre en knappe, excentrieke uitstraling haar handelsmerk maakte. 

…als een echte diva bleef haar carrière doorgaan met performances vol drama en glamour, waarbij ze van haar lage, sensuele timbre en knappe, excentrieke uitstraling haar handelsmerk maakte…

In 1992 werd ze gearresteerd voor het bezit van hasj en werd ze drie dagen opgesloten. Ze pakte het uiteindelijk licht op en de medegevangenen zongen in koor haar ‘Ragazzo triste’, toen ze de gevangenis verliet. Ook haar privéleven was steeds voer voor de roddelbladen. In 1980 had ze het gehad met de aanvallen en probeerde ze uit de media te blijven door naar Californië te verhuizen. Toen men haar zo goed als opgegeven had, keerde ze in 1984 terug naar San Remo. In een Japans geïnspireerde stijl presenteerde ze er zichzelf in een kolossale metalen jurk van Versace en blies ze haar carrière nieuw leven in. Vanaf dan nam ze nog negen keer deel aan het festival, waar ze vier keer de prijs van de critici won, o.a. voor het door haar goede vriend Vasco Rossi geschreven ‘E dimmi che non vuoi morire’ in 1997 en ‘Cieli immensi‘ in 2016. 

In 1996 trad ze na dertig jaar terug op in de Piper Club, live uitgezonden op de radio.  Ze was de eerste Italiaanse artieste die, hoewel tegen de zin van haar platenfirma’, in de jaren ’70 naakt poseerde voor Playboy, hetgeen ze in 1980 opnieuw deed voor meerdere bladen. Ze won een Targa Tenco Award, weigerde filmrollen van Federico Fellini en Andy Warhol, en verscheen als cameo in de film ‘Pazza idea’, waarin twee broers op zoek gaan naar hun vader, met de muziek en de persoon Patty Pravo als rode draad. Ze heeft geen kinderen, maar trouwde en scheidde vijf keer. Ze spoorde Riccardo Fogli aan om de populaire groep Pooh te verlaten en trouwde met hem volgens een Keltisch ritueel in Schortland, een huwelijk dat in Italië niet geldig was omdat beiden toen nog met iemand anders getrouwd waren.

Hoogtepunt uit haar carrière is haar album ‘Pazza idea’ in 1973, met de gelijknamige single, de grootste hit van het jaar in Italië. Het nummer vertelt over een vrouw die aan haar oude liefde blijft denken terwijl ze seks heeft met een andere man. Het werd ook een hit in Nederland en een paar jaar later coverde Rita Hovink het als ‘Laat me alleen’, bij ons in 1997 bekend geworden door Mama’s Jasje. (Clips van de Spaanse versie en duet met Luciano Pavarotti in 2001)


Andere toppers van Patty Pravo:

Il paradiso (1969) (geschreven door Lucio Battisti, top 10-hit die als ‘If paradise is half as nice’ een wereldhit voor Amen Corner werd. Blond, slank, mooi en ongeremd werd ze meteen de vaandeldrager van de ’68-generatie. Ze werd een symbool van vrouwelijke emancipatie en van de beatperiode, gevolgd en geïmiteerd door massa’s Italiaanse adolescenten.)

La spada nel cuore (1970) (eerste deelname aan San Remo. Het nummer werd geschreven door Mogol en Donida, maar ondertussen gaat men ervanuit dat Lucio Battisti ook meeschreef. Hij zou ook de demo hebben ingezongen, die werd ingediend bij de selectiecommissie van het festival. Patty Pravo zong het nummer in tandem met Little Tony. Samen werden ze vijfde in een legendarisch sterk festivaljaar. Patty won ook de prijs van de critici.)

Tutt’al più (1971) (dikke hit en ook in de Franse versie een hit voor Dalida. Met dit nummer sloeg ze een nieuwe richting in, waarbij ze met haar aparte gevoel voor drama en unieke stemgeluid ook het serieuzere werk ging brengen. Ook uiterlijk veranderde het opstandige meisje in een streng ogende, knappe figuur met het haar in een knot naar achteren getrokken. In die periode bracht ze ook interpretaties van artiesten als Jacques Brel, die haar bloemen gaf en opmerkte dat ze klonk alsof ze van de maan kwam. In Frankrijk leverde het haar toen de bijnaam ‘Édith Piaf italienne’ op.)

Pensiero stupendo (1978) (was eerst bedoeld om de Franse zangeres Jeanne Mas te lanceren, maar het nummer paste niet bij haar. Het werd Patty Pravo aangeboden en zij bleek met haar ambigue imago (de schandaaltekst gaat over een ménage-à-trois, waarmee ze na ‘Pazza idea’ opnieuw met een zeer gewaagde tekst flirt) en enigmatische persoonlijkheid de perfecte keuze voor het nummer. Met een excentrieke look met veel kleur en make-up scoorde ze alweer een kolossale hit.)


Extra clips: